De zeven boetpsalmen

In augustus 430, terwijl de Vandalen de stad Hippo belegerden, liet Augustinus op zijn sterfbed de zeven boetpsalmen op de muur van zijn kamer schrijven. Zijn biograaf Possidius vertelt hoe hij de laatste dagen alleen doorbracht, wenend en biddend. Geen eigen verdienste, geen theologisch systeem — alleen Gods barmhartigheid.

Zeven dagen, zeven psalmen, als voorbereiding op de tafel van de Heere.

Dag 1 Psalm 6 Domine, ne in furore tuo arguas me
O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!
Waarom vraagt hij niet: ‘straf mij niet’, maar ‘straf mij niet in Uw toorn’? Omdat hij weet dat hij straf verdient. Hij bidt niet om vrijstelling van alle tucht, want dan zou God hem als kind loslaten, maar om tucht uit vaderlijke liefde, niet uit richtende toorn. Want ook wij, die zondaars zijn, hebben de roede nodig; maar moge zij komen uit de hand van een Vader, niet uit de hand van een Rechter.

Vergeef mij al mijn zon - den,

Die Uwe hoogheid schonden;

Ik ben verzwakt, o HEER!

Genees mij, red mijn leven;

Gij ziet mijn beend'ren beven;

Zo slaat Uw hand mij neer.

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Ps. 6:1

Componist: Variatie: Sietze de Vries — Koraalzetting: vrije vertolking

Dag 2 Psalm 32 Beati quorum remissae sunt iniquitates
Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.
Hij zegt ‘bedekt’, en niet ‘weggenomen’. Want zonden zijn op twee manieren bedekt: ze zijn bedekt voor de mens die zijn eigen fouten niet wil inzien, óf ze zijn bedekt omdat God niet langer wil omzien naar wat de mens heeft misdaan. Zalig is de mens aan wie de Heere de zonde niet toerekent — dít is genade, dít is een geschenk, dit komt niet uit onszelf. Want als het uit onszelf was, zou het een verdienste heten, en geen genade.

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven;

Die van de straf voor eeuwig is ontheven;

Wiens wanbedrijf, waardoor hij was bevlekt,

Voor 't heilig oog des HEEREN is bedekt.

Welzalig is de mens, wien 't mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

En die in't vroom en ongeveinsd gemoed,

Geen snood bedrog, maar blank' oprechtheid voedt.

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Ps. 32:2

Componist: Vrije vertolking

Dag 3 Psalm 38 Domine, ne in furore tuo arguas me
Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!

Toen Christus aan het kruis hing, zweeg Hij tegen Zijn vervolgers. Waarom opende Hij Zijn mond niet? Omdat Hij wist: ‘Op U, Heere, hoop ik.’ Daarmee toont Hij ons de weg in tijden van beproeving. Wanneer mensen u valselijk beschuldigen en niemand naar uw verdediging luistert, raak dan niet in verwarring. Valse getuigen zegevieren misschien voor de mensen, maar nooit voor God.

Wanneer God straks uw Rechter is, zal er geen andere getuige zijn dan uw eigen geweten. Vrees in de aanwezigheid van die rechtvaardige Rechter dus niets, behalve de oprechtheid van uw eigen zaak. Zorg voor een zuiver geweten van binnen — daar waar geen mens uw rechtzaak kan verdraaien. Als uw geweten zuiver is, hoeft u geen aanklager te vrezen. Breng die innerlijke onschuld met u mee de rechtszaal in, en zeg vol rustig vertrouwen: ‘Want op U, Heere, hoop ik; U zult verhoren.’


Vers 9:

Maar wat klaag ik, HEER der heren?

Mijn begeren

Is voor U, in al mijn leed,

Met mijn zuchten en mijn zorgen,

Niet verborgen;

Daar Gij alles ziet en weet.

Vers 22:

HEER, ik voel mijn krachten wijken

En bezwijken;

Haast U tot mijn hulp, en red,

Red mij, Schutsheer, God der goden,

Troost in noden,

Grote Hoorder van't gebed.

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Ps. 38:16

Componist: Dick Sanderman

Dag 4 Psalm 51 Miserere mei, Deus
Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid.

Het opschrift boven deze psalm herinnert ons aan een diep drama: ’toen de profeet Nathan bij David kwam, nadat deze tot Bathseba was gegaan.’ Met diep verdriet en huivering spreken we hierover. Betoverd door haar schoonheid beging de grote koning en profeet David overspel, en liet hij haar echtgenoot doden in de strijd. God heeft gewild dat deze zonde werd opgeschreven — niet om ons aan te sporen tot navolging, maar om ons te leren Hem te vrezen. Veel mensen willen namelijk wel mét David vallen, maar ze willen niet mét David opstaan. Zij misbruiken de Schrift als vrijbrief en zeggen: ‘Als David het deed, waarom ik dan niet?’ Wie zo denkt, zondigt erger dan David. David had immers geen voorbeeld; hij viel door een plotselinge opwelling van begeerte. Ú zet nota bene een heilig man voor ogen om uw zonde goed te praten. U kopieert niet zijn heiligheid, maar zijn val.

Luister daarom tot uw behoud en meet uw eigen zwakheid af aan de val van deze sterke man. David zag haar van verre: de vrouw was ver weg, maar de lust was dichtbij. Wat hem deed vallen, zat in hemzelf. Laat de zonde dan niet regeren in uw sterfelijk lichaam. Er is zonde in u wanneer u een verkeerde prikkel voelt, maar zij regeert pas als u eraan toegeeft. Beteugel de vleselijke lust en tref voorzorgsmaatregelen. Denkt u dat u die verleiding zonder waakzaamheid wel de baas kunt? Zeg niet te snel: ‘Ik beheers mezelf met een ijzeren discipline.’ Want zeg eens eerlijk: bent u soms sterker dan David?

Maar dat we zelfs over diep gevallen mensen niet hoeven te wanhoopen, dat laat deze psalm ons zien. Het is een psalm van boetvaardigheid. Wat uw misstap ook is geweest: het voorbeeld van David is er niet om te blijven liggen, maar om weer op te staan. Open uw gebroken hart en roep net als hij om de fontein van Gods barmhartigheid: ‘Wees mij genadig, o God!’"


Vers 1:

Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;

Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden;

Delg uit mijn schuld, vergeef mijn overtreden:

Uw goedheid wordt noch paal, noch perk gezet.

Ai, was mij wel van ongerechtigheid;

Mijn schuld is zwaar, ik heb Uw wet geschonden;

Zie mijn berouw, hoor, hoe een boetling pleit,

En reinig mij van al mijn vuile zonden.

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Ps. 51:1-3

Componist: Vrije vertolking

Dag 5 Psalm 102 Domine, exaudi orationem meam
O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen... Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;

Wanneer zou de Vader ooit Zijn aangezicht hebben afgewend van Zijn eigen Zoon? Nee, Christus bidt hier omwille van de armoede van de gelovigen, die Zijn lichaam vormen. Als u vandaag in de knel zit, zit Christus in de knel. Als onze verste nakomelingen na ons worden beproefd — tot aan het einde van de wereld geldt: wie er ook maar lijdt in Zijn lichaam, Christus lijdt mee. Vanuit die diepe afhankelijkheid smeken wij niet om vergankelijke, aardse dingen, maar kloppen wij als armen aan voor de poort van de al-rijke God, die belooft: ‘Zie, hier ben Ik.’

Maar deze psalm blijft niet steken in het lijdende heden; hij kijkt profetisch vooruit. Er staat geschreven: ‘Dit wordt opgeschreven voor het volgende geslacht.’ Dat nageslacht, dat zijn wij! Het is niet opgeschreven voor de generatie van toen, maar bewaard voor een volk dat in later eeuwen geboren zou worden.

Dit volk wordt door God niet alleen fysiek in het leven geroepen, maar in Christus geestelijk hernieuwd en opnieuw geschapen. Dit nieuw-geschapen volk dient God niet langer uit angst voor de wet, maar betracht Zijn geboden met oprechte lust en liefde. Gedreven door louter genade, zal dit dankbare nageslacht Gods trouw verheffen. Zij loven Hem niet om hun eigen verdiensten, maar omdat zij door Hem zijn vernieuwd. Laat daarom uw lofgezangen horen: het volk dat door Hem geschapen is, zal de Heere loven!


Vers 1:

Hoor, o HEER, verhoor mijn smeken,

Laat m' Uw bijstand niet ontbreken;

Ai, veracht mijn tranen niet,

Daar Gij al mijn angsten ziet;

Als ik, in benauwde dagen,

U, mijn God, mijn leed moet klagen,

Wil dan spoedig U ontfermen,

Wil mij door Uw macht beschermen.

Vers 10:

Dan, dan wordt Gods trouw verheven,

En Zijn dierb're gunst beschreven

Voor het dankbaar nageslacht,

Dat met lust Zijn wet betracht.

't Volk, in later eeuw geboren,

Zal Zijn macht en goedheid horen;

Zich in Zijnen roem verblijden;

Hem Zijn lofgezangen wijden.

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Ps. 102:2,19

Componist: Vrije vertolking

Dag 6 Psalm 130 De profundis clamavi ad te, Domine
Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE. Hoop, Israël, op de HEERE, want bij de HEERE is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing.

Wat is die diepte van ellenden waaruit de ziel hier roept? Het is de peilloze diepte van onze sterfelijkheid, de zware druk van dit aardse leven waarin wij versmachten onder onze zonden. Velen zitten in deze diepte gevangen, maar weinigen roepen eruit. Maar wie met mond en hart tot God roept, begint al uit de diepte op te stijgen. Zodra u uw jammerklacht opzendt, reikt uw hart omhoog naar Hem die alleen heil kan zenden. Het is het biddende roepen van de ziel: ‘Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ, ich bitt, erhör mein Klagen, verleih mir Gnad zu dieser Frist, laß mich doch nicht verzagen!’ Want als God onze ongerechtigheden zou blijven gedenken, wie zou dan standhouden?

Wend daarom uw blik af van uw eigen verdiensten en hoopt op de Heere, gij vromen! Als Israël in nood is en gebukt gaat onder haar schuld, mag zij weten: Gods goedheid is zeer groot. Hij heeft ons niet overgegeven aan de diepte, maar heeft Zijn Zoon gezonden om ons vrij te kopen.

Dit Israël — dat zijn allen die met een louter hart verlangen om God te zien. Hij zal Zijn volk misstappen niet blijven toerekenen, maar maakt hen op hun bidden ganselijk vrij van al hun ongerechtigheden. Smeek Hem daarom vanuit uw druk, opdat Zijn verlossing ook aan u geschiede; want bij Hem is de overvloeiende bron van genade.


Vers 1:

Uit diepten van ellenden

Roep ik, met mond en hart,

Tot U, die heil kunt zenden;

O HEER, aanschouw mijn smart;

Wil naar mijn smeekstem horen;

Merk op mijn jammerklacht;

Verleen mij gunstig' oren,

Daar 'k in mijn druk versmacht.

Vers 4:

Hoopt op den HEER, gij vromen;

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Zijn goedheid is zeer groot.

Hij maakt, op hun gebeden,

Gans Israël eens vrij

Van ongerechtigheden;

Zo doe Hij ook aan mij.

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Ps. 130:1,7

Componist: Ich ruf zu dir: J.S. Bach (BWV 639) - Koraalzetting: vrije vertolking

Dag 7 Psalm 143 Domine, exaudi orationem meam
Verhoor mij haastelijk, HEERE! mijn geest bezwijkt. Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U. Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land.

Hoor hoe de ziel roept in haar diepste afhankelijkheid: ‘HEERE, doe mij spoedig ademhalen, want mijn geest bezwijkt!’ Zonder de levensadem van Gods Geest stikt de mens immers geestelijk. Wij hebben geen eigen levensadem; wie probeert te leven vanuit zijn eigen rechtvaardigheid, raakt buiten adem en bezwijkt. Als God Zijn vriendelijk aangezicht verbergt, zinken we onherroepelijk weg in de dood.

Uit die diepe armoede klinkt het gebed: ‘Laat mij in de morgen Uw goedertierenheid horen.’ Deze morgen breekt aan wanneer de nacht van onze eigen misstappen wijkt en het ware Licht van Christus in ons oprijst. Omdat de ziel zich in haar ellende geheel tot Hèm heeft gewend, smeekt zij: ‘Wil mij het ware heilspoor wijzen.

Dit uit zich ten diepste in het verlangen naar een vernieuwd leven: ‘Leer mij Uw welbehagen te doen.’ Bid daarom nooit dat uw eigen geest regeert, want onze eigen wil leidt ons over hobbelige wegen vol zijpaden. Alleen Gods Geest is goed.

Leer mij, o God van zaligheden, mijn leven in Uw dienst besteden. Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand.’ Wanneer Hij onze hand vastgrijpt, zal Zijn goede Geest onze wankele schreden besturen en ons veilig leiden naar het effen land van de levenden.


Vers 7:

HEER, doe mij spoedig ademhalen;

Wil mijn bezweken geest bestralen;

Verberg m' Uw vriend'lijk aanschijn niet;

Ik zal eerlang ten grave dalen,

Indien Gij mij geen bijstand biedt.

Vers 8:

Laat mij Uw dierb're goedheid prijzen,

Wanneer ik 't morgenlicht zie rijzen;

'k Betrouw op U in mijn ellend';

Wil mij het ware heilspoor wijzen;

Mijn ziel heeft zich tot U gewend.

Vers 10:

Leer mij, o God van zaligheden,

Mijn leven in Uw dienst besteden;

Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand;

Uw goede Geest bestier' mijn schreden,

En leid' mij in een effen land.

Augustinus, Enarrationes in Psalmos, Ps. 143:7-10

Componist: Vrije vertolking

De citaten van Augustinus zijn vanuit het Latijn in het Nederlands vertaald met behulp van AI.